Hoe haiku in mijn leven kwam en bleef …

Riet De Bakker

Het is een goed gebruik in Vuursteen dat nieuwe redactieleden zich kort voorstellen. Dit is alweer de tweede Vuursteen waar Riet als redacteur aan meegewerkt heeft.
(Redactie)

Tijdens een feestelijk gebeuren rond een poëziewedstrijd (1987) waaraan ik mee had gedaan was er een boekenmarktje. Daar stonden mensen met kleine bundels, met kleine gedichten , waarover ze met grote bezieling vertelden. En of ik dan nog nooit van haiku hoorde?
Het hield me bezig. Korte verzen die me te binnen schoten, werden in een telraam gezet !

Enkele poëziewedstrijden later, met bekroonde gedichten opgenomen in bloemlezingen, wees een bevriende dichter me op de krachtige slotregels van een gedicht, en zei dat het wel iets haiku-achtigs had en hij stelde voor om eens naar de haikukring in Antwerpen te gaan.
Schrijven en schrappen en tellen, dat lukte me wel, maar om naar zo’n groep te stappen…

Mijn drempelvrees overwonnen en naar de kernvergaderingen (toen nog op de Paardenmarkt) gegaan waar ingestuurde haiku’s in kleine groepen bekritiseerd werden. Vaak was er ook iemand die duidende informatie gaf. De groep groeide aan, ook de vriendschap. In Beerse (Kempen) begonnen enkele mensen met een nieuwe kern.
Was de haikuhonger zo groot, of wat was het dat maakte dat ik zowel naar Wilrijk (nieuwe lokatie) als naar Beerse begon te gaan en enkele jaren geleden ook naar Karumi (Kapellen).
De werkvergaderingen hebben zowat eenzelfde structuur. Er worden gewoonlijk drie haiku’s ingestuurd om in de groep te becommentariëren.
Dat de kernen al zo lang mogen bestaan, is vooral te danken aan de blijvende inzet van de voorzitters, aan het gelijkgestemd bezig zijn van de deelnemers. Er wordt immers meer gedeeld dan de kritiek op ingezonden verzen.

Waarom ik naast andere gedichten ook haiku blijf schrijven? En of het te vergelijken valt ?

Het blijft voor mij een verschillende benadering. Tijdens een werkvergadering haalde Ferre Denis een uitspraak van Bart Mesotten aan: een haiku komt van buiten en gaat naar binnen, een gedicht komt van binnen en gaat naar buiten …Zo had ik het nog niet gehoord, maar het is voor mij een juiste omschrijving.
Een gedicht groeit langzaam, na een ‘bevruchting’, een idee, een uitspraak of een gebeuren. Er haken andere dingen, ervaringen aan vast. Tijd valt vaak weg tussen de regels. Alles valt in elkaar: wat geweest is, en wat nog kan komen.
Een haiku kan voor mij haast niet bestaan, zonder dat er een haikumoment geweest is: een zintuiglijke ervaring, een moment waarin je kan doordringen in het wezenlijke van wat je ziet of hoort of ruikt … De haiku zoekt dan woorden om puur te raken aan de eigenheid, de werkelijkheid, het bestaansrecht van iets (of iemand), hoe klein, of eenvoudig of onbeduidend dan ook.

Het haikumoment is voor mij zo essentieel, zo noodzakelijk. Die fundamentele zienswijze is voor mij verrijkend, maar tegelijkertijd ervaar ik dat mijn kijk op haiku soms benauwend, beklemmend overkomt bij andere haikudichters.
Ik wil geen haikufundamentalist zijn om anderen te beoordelen maar ik wil zelf wel vanuit dat basisgevoel haiku proberen te schrijven. Het voelt voor me alsof er onrecht aan haiku wordt gedaan, als een gedicht niet uit een haikumoment ontstaat.
Toen ik mijn veren en vleugels (haikubundel, uitgegeven door haikukern Antwerpen) ophaalde bij Ferre Denis (voorjaar 2008) was ik vooral verbaasd dat hij me vroeg om in de redactie van Vuursteen te stappen. In mijn bedenktijd, vol twijfel, groeide de moed en de wil om mee te blijven ijveren voor een bestaansgrond van haiku. Om een blad mee samen te stellen, waarin ook jij, als lezer, iets kwijt kan: je mening, je nieuwe verzen, je pasgedrukte bundel,
je ergernis, je bekommernis…

Graag wil ik er energie in steken om samen met de andere redactieleden een tijdschrift samen te stellen waar jij naar uit kijkt…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *