Hans Reddingius – Vliegen op de rijst

Vliegen op de rijstHans Reddingius, Vliegen op de rijst – Een introductie in de haikuwereld met Zen-Zientekeningen van Leo van Vegchel.
Uitgever: A3 boeken, Geesteren 2008. 80 pp. ISBN 978 90 77408 54 4

Tekst achterzijde boek
In de jaren zeventig las Hans Reddingius voor het eerst een haiku en het was liefde op het eerste gezicht. De bekende bloemlezing Haiku – een jonge maan van J. van Tooren bestendigde die liefde.
Zijn eerste voorzichtige schreden in de wereld van de haiku en aanverwante Japanse versvormen zijn uitgegroeid tot een ontdekkingsreis van enkele decennia. Zijn plezier in het lezen en schrijven van deze kleine parels werkt aanstekelijk op de lezer – vormt een uitnodiging om ook die haikuwereld te betreden.
Natuurlijk komen de kenmerken van de haiku aan de orde, maar Reddingius schrijft niet dwingend voor. Met veel voorbeelden en nuancerende opmerkingen daagt hij de lezer uit proefondervindelijk te ontdekken, te ervaren wat een echte haiku is.

De tekeningen in dit boek zijn gemaakt door Leo van Vegchel in de traditie van het Zen-Zien-Tekenen, waarbij het verband wordt gelegd tussen wat het oog ziet, het hart beroert en de hand beschrijft.

Recensie Vuursteen lente 2009
Met dit fraai uitgegeven boek, opgedragen aan Wim Lofvers, is er een bruikbare en zeer handzame inleiding in de haikuwereld beschikbaar gekomen. Het boek is gezet uit de Quadraat van Fred Smeijers (ik kan het niet laten dat even aan te stippen omdat het zo’n mooi lettertype is, en de uitgever het helaas niet vermeldt).

In acht hoofdstukken wordt de lezer vertrouwd gemaakt met de belangrijkste begrippen in de haikuwereld, waaronder begrippen als seizoenwoord, snijwoord, het begrip ‘snijden’, verwante versvormen als senryu, tanka, kyoka, kettingverzen: renga, rengay, en tanrenga, verzen gecombineerd met proza (haibun), en verzen gekombineerd met beeld (haiga). Hans Reddingius (voormalig hoofdredacteur van Vuursteen) kiest ervoor de klassieke Japanse oorsprong vrij uitgebreid te behandelen, maar geeft gelukkig regelmatig te kennen dat hij niet hecht aan het ‘star volgens de voorschriften’ schrijven. Ook algemene literaire aspecten als woordkeuze, klank, ritme, metaforen, vergelijkingen, personificatie en cliché’s worden aangeroerd. Waarom is voor sommige zaken geen plaats in haiku en onder
welke voorwaarden kan het nu net weer wèl?

Het onderscheid tussen haiku en senryu laat Hans bestaan – ‘het ondeugende broertje van de haiku’ noemt hij de senryu. Omdat de term ‘ondeugend’ naar mijn idee niet voldoet voor diverse van de aangehaalde voorbeelden vind ik hem eigenlijk ietwat ongelukkig gekozen. Verder wordt er, afgaande op die voorbeelden, in de Nederlandstalige traditie zoveel senryu geschreven, dat dat onderwerp misschien wel wat meer aandacht had verdiend.

Ruime aandacht wordt besteed aan het op gang brengen van de creativiteit. Hans geeft zenachtige adviezen om de geest open te leren stellen (zie voor ervaringen hiermee het stuk van Ad Beenackers op p.3), en komt met opdrachten als: maak een haiku met gebruikmaking van een gegeven woord (een hele lijst met voorbeelden), of met een bepaalde eerste regel (weer vele voorbeelden), associeer, maak een variatie op een gegeven haiku (zoals de grote meesters dat ook
vaak deden). Op p.35 en 37, en later op p.51 en 52 schotelt hij de lezer een reeks voorbeelden voor om te ‘recenseren’. Daarin laat hij hem wel wat ‘zwemmen’, maar dat is misschien nu juist ook wel weer het leuke van zijn aanpak.

Het begrip ‘enjambement’ komt zelfs tweemaal aan bod, voor het eerst op p.34, als het ‘op onnatuurlijke wijze in stukken hakken’ van een regel (zonder de bijbehorende term te noemen) en later op p.42 mèt vermelding van de term. Het voorbeeld van Van der Molen

in een wildernis
van verwrongen takken wegwijzers
naar nergens

wordt aangeduid als een voorbeeld van een goed werkend enjambement, maar ik had dat wel graag uitgediept willen zien. Na de slechte enjambementen in het gedicht van Hooykaas op p.34 (links) komt er (toevallig?) opnieuw een gedicht met een enjambement, van Jac Vroemen (rechts)…

zonsondergang op                                            mijn vijvertje is
zee – kleuren weerkaatst op het                      maar een handbreed diep – en kijk
golvende water                                                  de maan kan er in

… maar jammer genoeg is de schrijver dan al geheel met een volgend onderwerp bezig (dichterlijk taalgebruik – wèl belangrijk overigens!) en verzuimt hij op het enjambement in dit vers in te gaan.

Eerste haikupogingen vergelijkt Hans heel treffend met het schieten van vakantiekiekjes – iets vastleggen zonder veel pretentie – en vervolgens probeert hij de lezer gevoelig te maken voor kwaliteit met behulp van voorbeelden. Het tekent de mens achter de schrijver dat de auteurs van de als slecht gekwalificeerde verzen alter ego’s van hemzelf blijken te zijn.

Voor sommige iets te banale taalgrapjes acht Hans de Japanse versvormen te hoog(?), en verwijst hij naar de daarvoor beter geschikte light-versevormen als bijvoorbeeld de limerick en het ‘olleke-bolleke’. Het zij hem vergeven dat hij van de voorbeelden van deze vormen niet al te veel werk heeft gemaakt.

In de inleiding schrijft Hans dat hij zich speciaal op de beginner en iets gevorderde in het Nederlandse publiek 26 heeft gericht. Vergevorderde haikudichters zullen inderdaad niet veel nieuws vinden, maar dat is ook niet wat je van een ‘introductie in de haikuwereld’ mag eisen. Laten we hopen dat dit boek vele enthousiastelingen op het spoor van de Japanse versvormen zal zetten. En dat die het in hoofdstuk 8 uitgesproken advies ter harte zullen nemen om niet in
hun eentje te blijven ploeteren, maar (bijvoorbeeld) aansluiting te zoeken bij de HKN of het Haikoe-centrum Vlaanderen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *