Frans Terryn – tanka

Als de avond daalt
en de stad op weg naar rust
weer langzaam leegloopt,
stap ik door een stille straat
met mijn uitgelaten hond.

‘Hoe kun je kussen
met een hazenlip, mama!’
Haar woorden snijden.
Ik klem haar in mijn armen,
maar mijn stem stokt in mijn keel.

Grijs en grauw de lucht
en de nevels in haar hoofd,
maar dan, die glimlach
als ze mij opeens herkent,
en de warmte van haar hand.

Het dorp van mijn jeugd,
waar de buurt bij valavond
de dag herkauwde …
Hoe graag was ik weer dat kind
tussen de grote mensen!

Allerzielendag.
Een late vlinder fladdert
op je grafzerk neer.
Zou eenzaamheid misschien ook
in jouw wereld voelbaar zijn?

Die middag in mei
toen je mij trots vertelde
dat je zwanger was,
priemde plots een straaltje zon
door het grijze wolkendek.

De hele tuin geurt
naar de zomers van vroeger
toen jij er nog was;
voor de vaas bij jouw foto
pluk ik de roodste rozen.

‘Wit, geel, blauw en grijs:
er zitten zoveel kleuren
daar in de wolken!’
Zij zegt het zo verwonderd,
haar kinderogen glanzen.

Voer mij nog eenmaal
naar die plek aan de bosrand
waar krekels sjirpen
voordat ik in november
hun schild in de modder vind.

Toen de grote dooi
over de velden daalde
en de sneeuw wegsmolt,
voer jij mijn haven binnen
en de winter werd lente.

Een prille morgen
en een pril geluk aan zee.
Wij liepen samen
langs de vloedlijn op het strand
en alles was nog toekomst.

Hoe ver ligt mijn dorp
waar het volk in de avond
bijeen kwam zitten
en elk zijn verhaal deelde
met de mensen uit de buurt!

We vormden een kring
rond de kist op het kerkhof.
Bij het afscheidswoord
vlogen drie vogels over:
vaarwel in verbondenheid.

Toen het dametje
de oogarts imiteerde,
blonken haar ogen:
‘Mevrouw, ik haal die staar uit,
niet uw ondeugende blik.’

Met een kussentje
onder haar zomerjurkje
loopt zij naar opa.
‘Maar kind, je krijgt een kindje!’
Schaterlachend rent zij weg.


Oude stilte

In de veldkapel
waar geen mens meer komt bidden,
is de stilte oud.
Achter de gebarsten ruit
staart Maria naar buiten.

De dag vernauwt zich
tot een dromend samenzijn
in de woonkamer.
Langzaam dooft de avond uit
in de laatste sigaret.

Als straks in het park
de bomen weer fluisteren
dat de lente komt,
zal ik naar ons plekje gaan
en vergeefs op je wachten.


Afscheid

Met lome poten
loopt hij door het duinzand mee,
mijn oude windhond,
en zijn eens zo krachtig lijf
strompelt doodmoe naar ons huis.

Met een doffe blik
vlijt hij zich op het tapijt
voor mijn voeten neer
en wij voelen allebei
hoe de avond binnensluipt.

Morgen als mijn hond
voorgoed zijn ogen dichtdoet,
zal de zomerwind
nog in de duinen zingen,
maar zijn lied zal droevig zijn.

Binnen en buiten
zal de leegte nog weken
alles doordringen
tot ze stilaan overgaat
in tijdloze dankbaarheid.

Frans Terryn
frans.terryn@skynet.be

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *