Mag ik je tekst even gebruiken?

door: Bart Mesotten
Uit: Vuursteen zomer 1985

De ene mens kan niet leven zonder de andere; de kunstenaar wellicht ook niet. Er is een tijd geweest dat men als schrijver slechts bij uitzondering, en dan nog met de nodige verontschuldiging, een nog niet behandeld onderwerp durfde aansnijden. Later keerde het tij, en werd volstrekte oorspronkelijkheid verheven tot onmisbare voorwaarde om als schepper van kunst ernstig genomen te worden.

Tussen de twee is ruimte voor wat men ontlening kan noemen: men vertrekt van een bestaande tekst in ongeacht welke taal, en men bouwt met elementen daaruit een uiteraard slechts gedeeltelijk oorspronkelijk kunstwerk, of kunstwerkje, want het gaat hier over haikoe.

In de stellige overtuiging dat zo’n tweedehands-haikoe(-moment) zeker niet als ideaal beschouwd mag worden, meen ik nochtans dat het hierna volgende enige aandacht verdient.

Enige tijd geleden kreeg de redactie drie haikoes toegestuurd van classicus en haikoe-dichter Marcel Smets; telkens stond de vermelding erbij:”vrij naar…”, en met ook telkens de oorspronkelijke Latijnse tekst.

Een van de moeilijkheden van dat soort haikoes bestaat hierin dat de lezer verondersteld wordt op de hoogte te zijn van de oorspronkelijke tekstsamenhang: wat over het algemeen niet het geval is.

We gaan hier kort op in.

“Dat dertele meiske

De eerste haikoe betreft één vers uit de derde van de tien herdersgedichten of eclogen die Vergilius rond 40 v.Chr. heeft uitgegeven onder de naam Bucolica. De derde herderskout -zoals Vondel hem noemt – is een speels dichtwerk waarin twee herders met elkaar wedijveren in het maken van een kort gedicht op hun liefje. Een groot gedeelte van de ecloge bestaat uit een aaneenschakeling van die wedstrijdpoëzietjes van hooguit twee versregels. Eén ervan luidt:

“Malo me Galatea petit, lasciva puella
er fugit ad salices se cupit ante videri”.
(63-64)

Marcel Smets heeft alleen het eerste vers overgebracht in een senrioe-vorm:

Met een appel mikt
ze naar mij, Galatea,
het dartel meisje.

In het voorbijgaan kijken we naar twee overjarige vertalingen. Zoals men weet, heeft Vondel de werken van Vergilius tweemaal vertaald. Eerst (1646) in proza. Daar luidt onze tekst:

Galatea, dat dertele meiske, worpt my eenen appel naer het hooft,
loopt in de willigen schuilen, en wou wel dat ick haer eerst zaege.

Veertien jaar later (166) heeft hij Vergilius “in Nederduitsch dicht vertaelt”. Daar wordt het:

De dertele Galate worpt my uit appelstruicken
Met appelen naer ‘t hooft. Zy loopt in wilgen duicken,
En wou dat ickze eerst zagh, en greep met mijne hant.

Anton van Wilderode vertaalt:

Het uitgelaten meisje Galatea
probeert mij met een appeltje te raken
en zet het op een lopen naar de wilgen, –
maar wil zich gaarne eerst aan mij verraden.

Dat klinkt in het Frans van Paul Valéry:

“M’attaquant d’une pomme, ô garce Galatée!
Vers les saules courant, mais brûlant d’être vue”.

Jet is misschien mogelijk aan de senrioe met de eerste versregel twee regels van zeven lettergrepen toe te voegen, zodat het geheel gevat wordt in een andere Japanse dichtvorm, de kyoka, een schertsende tanka. Zowel de inhoud als de sfeer lenen zich ertoe:

Met een appel mikt
ze naar mij, Galatea,
het dartel meisje.
Dan vlucht ze naar de wilgen,
hopend dat ik haar eerst zie.

“Spade roozen en leste winter”

De volgende twee uitvergrotingen komen uit de Oden van Horatius; het zijn alletwee overigens zeer korte ode.

In de eerste (1, 38) handelt Horatius over zijn voorkeur voor eenvoud: als titel kan gelden: De Mirtekrans. Wat de toon en de inhoud betreft, sluit het gedicht aan bij wat in haikoe aan de orde is.

Ik geef vooraf een paar vertalingen van het hele stuk; eerst die van J.Cochez (van wiens vertalingen vroeger wel eens werd beweerd dat men ze alleen kon verstaan als men ook de oorspronkelijke tekst erbij had):

‘k verfoei, jongmensch, allen Perzischen tooi,
ik voel niets voor lindewindsel in kransen:
hou op jij moe na te gaan waar ergens
een late roos nog toeft.

Voeg willig aan louter mirten niets toe:
‘k begeer het, knaap, jou misstaat niet een mirte-
krans, evenmin mij wen ‘k onder de lommer
van ‘n dichten wingerd drink.

In de vlottere vertaling van Marcel Smets luidt deze mirten-ode:

Perzisch pralen haat ik, jongen,
‘t bevalt me niet die lindenbasten kransen;
zoek niet langer waar ergens nog een
late roos verwijlt.

‘n Simpele mirte, doe er niets meer
bij in je ijver, asjeblief nou; jou, dienaar,
misstaat het niet, ook mij niet
onder een bladerrijke wijnstok
drinkend.

Uit deze ode heeft Marcel Smets alleen de laatste idee van de eerste strofe gelicht, uitvergroot, zodat meer licht, en zelfs een veer ruimere betekenis krijgt (“mitte sectari, rosa quo locorum sera moretur”):

Wil in je ijver
niet zoeken waar ergens nog
laat een roos verwijlt.

Bij “rosa sera” (een late roos) merkt Maurits Pinnoy op, dat daardoor het gedicht gesitueerd wordt in de zomertijd, “want de roos was een lentebloem”. Dit mag zo zijn; maar als dagtekening staat bij deze ode: “Tibure, autumno sero” (Tibur, late herfst). We gaan er niet op in: alleen erbij vermelden dat, naar een mededeling van Marcel Smets, in Tibur – het huidige Tivoli – driemaal per jaar de rozen bloeien, de derde keer zelfs in december.

Vondel vertaalt:

Onderzoeck niet waer de spade roozen groeien.

tot slot de derde nadichting van marcel Smets; andermaal een korte ode aan Horatius (1. 11), waarin de gevleugelde woorden voorkomen: “carpe diem” (pluk de dag). Hijr icht zich tot een echt of denkbeeldig meisje dat hij de raad geeft niet te doen wat andere vrouwen en meisjes wél doen, namelijk naar waarzeggers en sterrenwichelaars lopen om te weten hoe lang ze nog zullen leven. “Moet jij niet doen, zegt Horatius; geniet ieder ogenblik, pluk de dag, en vertrouw niet teveel op morgen”. Tussen die twee gegevens spoort hij het meisje aan, om alles gelaten te ondergaan. Waarom? Omdat we niet eens weten of Jupiter ons nog meer jaren of winters zal schenken, dan wel of deze winter de laatste is “die de Tyrreense Zee moe stormen laat op de rotsen van poreuze steen”.

Vondel vertaalt:

… ende en laet uwe planeet niet lezen, op datge te beter leert verduren alles wat u overkomen zal; het zy u Jupiter meer jaren toeleit, of dat dees winter de leste zy, waer de Tyrrenische zee gebroken wort op de uitstekende rotsen.

Alleen deze laatste gedachte wordt door Marcel Smets in haikoevorm gevat (“ultimam – hiemem – quae nunc oppositis debilitat pumicibus mare”):

De laatste winter
die de zee moe beuken laat
tegen de klippen

Vanuit de drie hier behandelde nadichtingen is deze de minst duidelijke wanneer ze los van haar verband gelezen moet worden. Wat voor alle vormen van ontlening geldt, geldt ook hier: wie de hele ode kent, zal uit dit fragment méér halen, dan wie alleen de nadichting, de uitvergroting leest; doch ook in dit laatste geval moet de lezer voldoende aangereikt krijgen.

Dit doet denken aan schilders die zich laten inspireren door een fragment uit een groot schilderij. Bestaat er zelfs geen strekking in de fotografie-kunst om door uitvergroting van één klein onderdeel te komen tot een totaal nieuw beeld met eigen stem en boodschap? We kunnen in dit verband denken aan de film Blow up (letterlijk: uitvergroten) van Michelangelo Antonioni (1966). Nu en dan worden bepaalde figuurtjes uit een tafereel van Bruegel uit hun geheel weggenomen. Ze krijgen een nieuwe taak; over het algemeen doen ze het dan ook nog goed. Graficus Frank-Ivo van Damme heeft na de dood van mijn vader diens portret getekend, vertrekkend van een groepsfoto. Het is zelfs getrouwer en kunstzinniger mijn vader dan op de foto.

ik herhaal hier echter, dat het misschien wel een boeiende maar over het algemeen een ondankbare en zelfs gevaarlijke bedoening blijft als men voor het schrijven van haikoe en senrioe zijn aanloop neemt bij een reeds bestaande vreemde of eigen tekst. Het zal wel altijd smaken naar opgewarmde kost. Waarbij dan weer de bedenking geldt, dat een goede kok uit overschotjes allerhande smakelijks tevoorschijn kan toveren.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *